Eddy Christiani - Kleine Greetje uit de polder
Tekst: Anton Beuving / Muziek: Tom Erich
(1950)






Ik weet in de polder een huisje te staan
Verborgen door bloemen en struiken
Een slootje ervoor met een stoepje eraan
En vensters met roodwitte luiken
Daar ga ik elk jaar met vakantie naar toe
Ik voer daar de kippen en melk er de koe
Ik maai en ik zaai er zo’n beetje
En zoen in het klompenhok Greetje



Greetje, wat ben je toch mooi



Kleine Greetje uit de polder
Kind van ’t lage land
Blond van haar en blauw van ogen
Geef mij toch je hand
Kleine Greetje uit de polder
Zeg me nu eens gauw
Als het koren rijp is
Word je dan mijn vrouw



Want Greetje heeft mij al haar hartje beloofd
Maar eerst moest de tarwe gemaaid zijn
Toen vroeg ik haar weer, maar ze schudde haar hoofd
Nu moest eerst de rogge gezaaid zijn
Toen had ze geen tijd, want toen werd er gehooid
Toen moesten de piepers zo nodig gerooid
Een koe werd mama, dus had Greetje
Geen tijd om te trouwen, dat weet je



Greetje, wat ben je toch mooi



Kleine Greetje uit de polder
Kind van ’t lage land
Blond van haar en blauw van ogen
Geef mij toch je hand
Kleine Greetje uit de polder
Zeg me nu eens gauw
Als het koren rijp is
Word je dan mijn vrouw



Ik werd boos, kwaad en nijdig en ging naar haar toe
En zou haar eens duidelijk bevelen
Dat hooien noch ’t rooien noch ’t lot van de koe
Mij langer een ziertje kon schelen
Ik kwam bij het slootje met ’t stoepje eraan
En bleef op de brug vol verbijstering staan
Ik mocht er niet binnen, want weet je
Er was mond- en klauwzeer bij Greetje



Greetje, wat ben je toch mooi



Kleine Greetje uit de polder
Zeg me nu eens gauw
Als het koren rijp is
Word je dan mijn vrouw









<<   Vorige nummer                     Overzicht jaren ’50                     Volgende nummer   >>




Naar boven                       Home