Frans van Schaik - Ketelbinkie
Tekst: Anton Beuving / Muziek: Jan Vogel
(1940)






Toen wij van Rotterdam vertrokken
Met de ‘Edam’, een ouwe schuit
Met kakkerlakken in de midscheeps
En rattennesten in ’t vooruit
Toen hadden we een kleine jongen
Als ketelbink bij ons aan boord
Die voor de eerste keer naar zee ging
En nooit van haaien had gehoord



Die van zijn moeder aan de kade
Wat schuchter lachend afscheid nam
Omdat ie haar niet durfde zoenen
Die straatjongen uit Rotterdam



Hij werd gescholden door de stokers
Omdat ie van de eerste dag
Toen we maar net de pier uit waren
Al zeeziek in de foc’sle lag
En met jenever en citroenen
Werd hij weer op de been gebracht
Want zieke zeelui zijn nadelig
En brengen schade aan de vracht



Als ie dan sjouwend met zijn ketels
Van de kombuis naar voren kwam
Dan was het net een brokkie wanhoop
Die straatjongen uit Rotterdam



Wanneer ie ’s avonds in zijn kooi lag
En na z’n sjouwen eind’lijk sliep
Dan schold de man, die wacht te kooi had
Omdat ie om zijn moeder riep
Toen is ie op een mooie morgen
’t Was in de Stillen Oceaan
Terwijl ze brulden om hun koffie
Niet van zijn kooigoed opgestaan



En toen de stuurman met kinine
En wonderolie bij hem kwam
Vroeg hij een voorschot op zijn gage
Voor het ouwe mens in Rotterdam



In zeildoek en met roosterbaren
Werd hij die dag op het luik gezet
De kapitein lichtte zijn petje
En sprak met grocstem een gebed
En met een één, twee, drie in Godsnaam
Ging het ketelbinkie overboord
Die het ouwetje niet durfde zoenen
Omdat dat niet bij zeelui hoort



De man een extra mokkie schoot an
En het ouwe mens een telegram
Dat was het einde van een zeeman
Die straatjongen uit Rotterdam









<<   Vorige nummer                     Overzicht jaren ’50                     Volgende nummer   >>




Naar boven                       Home