Wim Sonneveld - Het hondje van Dirkie
Tekst en muziek: Louis Davids
(1959)






Kleine Dirkie had een hondje, door een auto overreden
Met gebroken poot in ’t straatgewoel gevonden
Met twee houtjes en een stukkie van een ouwe gonjezak
Had hij ’t pootje eerst gespalkt en toen verbonden
Daarna had hij het dier heel zacht
Opgepakt en thuisgebracht
En vervuld van stille angst en diepe zorgen
Zei hij: “Mormel, had ook uitgekeken voor je overstak”
En het voorzichtig in een zolderhoek geborgen



Als hij boterhammen kreeg, verborg hij iedere keer een stukkie
Voor zijn zieke kameraad onder zijn kieltje
En dan sloop hij op zijn tenen met een koppie zonder oor
Naar de zolder en zei: “Vreet nou maar, schlemieltje”
Hekkie keek hem nou en dan
Met zijn koppie scheef ’s an
De filantropie kon het beestje niet verwerken
Toen hij op een keer wou blaffen, siste Dirkie: “Houd je bek
Je ligt zo uit je pension als ze het merken”



Op een keer kwam Hekkie onverwachts, zijn poot nog in ’t verband
De kamer in, een hondje laat zich niet verbieden
Moeder zei: “Nou is de boot an, kijk me zo’n scharminkel an
’t Lijkt waarachtig wel de Joodse invalide
Van wie hoort dat stuk gespuis
Straks heb ik Artis in me huis”
Dirkie stamelde, hij kon het nauwelijks zeggen
“Toen hij onder een auto lee
Docht ik, ik neem hem effe mee
Anders hadden ze hem zo maar laten leggen”



“As hij binnen ’t uur mijn huis niet uit is, gaat hij in de plomp”
Verklaarde ma, “da’s wat voor mij, die nare krengen”
Toen zei pa gedecideerd: “Wanneer zijn poot genezen is
Zal ik hem persoonlijk naar het asiel toe brengen”
Dirk zei liefdevol: “Nou teef
De eerste maand ben je weer safe”
Intuïtief was hij van de patiënt gaan houen
Moeder schamperde: “Zeg ober, geef u Hekkie een stukkie kreeft
Man, je moet een villa voor hem laten bouwen”



Kleine Mientje, ’t jongste zusje, noemde Hekkie smalend ‘viezerik’
Dan hulde Dirkie zich in hooghartig zwijgen
Soms werd het hem wat al te machtig en dan kreet hij: “Treiterkop
Wat is vies, kijk jij maar liever naar je eige”
Eens beet Hek in Miesjes pop
’t Meisje gaf het beest een schop
Dirk vloog op en loeide: “Valse salamander
Raak dat beest nu nog ’s aan
Dan zal ik je effe kreupel slaan
Als hij slaag krijgt is ’t van mijn en van geen ander”



Hekkie leefde ongestoord
Temidden van conflicten voort
Schoon onbewust dat ze de oorzaak was van rampen
De één vervolgde haar met haat
De ander werd d’r kameraad
Het huisgezin had zich gescheiden in twee kampen
’t Pootje was weer gecureerd
Dirkie had de hond geleerd
Mooi te zitten en nou was hij reuze branie
Vader zei soms: “Klein serpent
Zo’n beest is toch intelligent”
“Ja”, zei Moeder, “ga d’r mee naar Sarasani”



Na zes maanden stille oorlog had het noodlot zich voltrokken
Hekkie had iets raars gedaan in Moeders kamer
Bertus, het oudste broertje zag het en riep: “Kijk ’s wat een zwijn
Op de trijpen stoelen, Moe”, hij greep een hamer
Wierp die Hekkie naar zijn kop
’t Beestje vloog schuimbekkend op
Viel toen neer, op dat moment kwam Dirkie binnen
Bleef als vastgenageld staan
Keek lijkwit zijn broertje aan
Niemand wist toen wat met Dirkie te beginnen



Zacht, als was ’t een kostbaar kleinood heeft toen Dirkie ’t verstarde beest
Naar zijn hoekie op de zolder meegenomen
’s Avonds in het donker groef hij in het Vondelpark een kuil
In een eenzaam laantje onder iepebomen
Met een snuitje, bleek als was
Lei hij Hekkie onder het gras
En zei trillend, beide oogjes toegeknepen
“Hekkie, ’t was niet mijn schuld
Mensen hebben geen geduld
Arme dier, ze hebben jou thuis nooit begrepen”









<<   Vorige nummer                     Overzicht jaren ’50                     Volgende nummer   >>




Naar boven                       Home