Gerard de Vries - Het spel kaarten
Tekst en muziek: T. Texas Tyler / Vertaling: Gerard de Vries
(1965)






Het was in de Tweede Wereldoorlog.
Een groep soldaten kwam terug van een patrouille
en arriveerde in een klein dorp.
De volgende morgen, zondag,
ging een aantal van hen onder leiding van een sergeant
naar de kerk.



Nadat de geestelijke een gebed had gelezen,
begon hij te preken.
Die jongens die een kerkboek hadden
haalden het te voorschijn.
Maar één van hen had alleen maar een spel kaarten bij zich
dat hij voor zich uitspreidde.
De sergeant zag wat hij deed
en zei dat hij de kaarten weg moest doen.



Na afloop van de dienst werd de soldaat gestraft
en bij de officier militaire politie gebracht.
“Waarom heeft u hem hier gebracht, sergeant?”, vroeg de officier.
“Hij zat te kaarten in de kerk”, was het antwoord.
“Wat heb je daar op te zeggen, knaap?”, zei de luitenant.
“Heel veel”, was het antwoord van de bewuste soldaat.
“Dat zullen we hopen, want als je geen deugdelijke reden hebt,
dan zal ik je strenger straffen dan wie ook.”



De soldaat zei: “Luitenant, ik ben zes dagen op patrouille geweest.
Ik had geen bijbel of kerkboek,
maar ik hoop u te kunnen overtuigen
van de oprechtheid van mijn bedoelingen”.
Nadat hij dit had gezegd, begon hij zijn verhaal:



“Kijk luitenant, als ik naar de aas van het spel kijk,
dan weet ik dat er maar één God is,
en de twee vertelt me dat de Bijbel in twee delen verdeeld is,
het Oude en het Nieuwe Testament.
Als ik de drie zie, dan denk ik aan
de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.



De vier herinnert me aan de vier evangelisten
die het woord predikten,
Mattheus, Marcus, Lucas en Johannes.
De vijf doet me denken aan de vijf wijze maagden
die hun lamp brandend hielden en gespaard bleven.
Vijf van de tien waren dwaas en werden verstoten;
de overige vijf bleven gespaard.



Zes, dat zijn de zes dagen
waarin God de hemel en de aarde heeft gemaakt.
Zeven herinnert me aan de zevende dag, de rustdag.
De acht doet me denken aan de acht mensen
die gered werden toen de aarde vernietigd werd.
Het waren Noach, zijn vrouw, zijn zonen en hun vrouwen.



Bij de negen denk ik aan de melaatsen
die onze Redder reinigde van de zonden,
en negen van de tien bedankten Hem zelfs niet.
Bij tien denk ik aan de tien geboden
die Mozes op de stenen tafelen ontving.



Zie ik de koning, dan weet ik dat er slechts één grote Koning is.
De vrouw herinnert me aan moeder Maria,
koningin van de hemel.
De boer van het spel is de duivel.



Als ik de tekens op de kaarten tel dan kom ik tot 365,
de dagen van het jaar.
Er zijn 52 kaarten, de weken van het jaar.
Vier kleuren zijn er, vier weken in een maand.
Er zijn twaalf kaarten met een afbeelding,
dat wil dus zeggen: twaalf maanden in een jaar.
Ook zijn er dertien troeven in een spel,
dertien weken in een kwartaal.



Ziet u luitenant, mijn speelkaarten betekenen voor mij
een Bijbel, een almanak en een kerkboek tegelijk.”



“Beste mensen, dit was een waar verhaal.
Ik weet het zeker,
want die soldaat,
dat was ik.”









<<   Vorige nummer                     Overzicht jaren ’60                     Volgende nummer   >>




Naar boven                       Home