Boudewijn de Groot - Kinderballade
Tekst: Gerrit Komrij / Muziek: Boudewijn De Groot
(1976)






Hij was twaalf, had rappe leden
Jongen uit de Hof van Eden
Als hij lachte, lachten luidkeels alle leeuwerikken mee
Met zijn blikkering van tanden
Met zijn marmerbleke handen
Leek hij op een tere engel uit een sierlijk bal-masqué
Hij kon klaterhelder zingen
En zijn haar rook naar seringen
Oh, hij was een waterprins, die in zijn pak van goudlamé
Was ontstegen aan de zee



Zij was dertien, een gazelle
En haar naam was Annabelle
Annabelle noemde haar zowel de hinde als het ree
Met haar helderrode wangen
Met haar glinsterende spangen
Leek zij in haar gazen bruidsjurk ’t meest nog op een toverfee
Blauw waren haar vreemde ogen
Blauw maar zonder mededogen
Oh, ze was een kleine meermin, die maar net, van lieverlee
Was ontstegen aan de zee



Samen, in het ochtendgloren
Wandelden ze langs het koren
Mild en zonder ze te storen scheen het zonlicht naar benee
En onder de roze stralen
Kuste hij haar lippen dralend
En hij zei haar wonder-woorden, zelfs het gras luisterde mee
Op het horen van die woorden
Week voor hen gedwee het koren
En het lispelde: “Wees welkom” en bood doorgang aan de twee
Zoals eens de Rode Zee



Toen hij, op geblaf van honden
Dagen later werd gevonden
Lag de blanke prins geschonden in het koren zonder fee
Met zijn dode, grote ogen
Keek hij roerloos naar omhoog en
Langzaam ritselde zijn bloed nog uit een gruwelijke snee



Niemand wist meer te vertellen
Hoezeer kleine Annabelle
Had gehouden van haar engel uit het sierlijk bal-masqué
Maar nog altijd ruist de zee









<<   Vorige nummer                     Overzicht jaren ’70                     Volgende nummer   >>




Naar boven                       Home