De Leidse Sleuteltjes - De kraai in de zilveren kooi
Tekst: Annie M.G. Schmidt / Muziek: Paul Christiaan van Westering
(1958)






Er was er eens een kraai die praten kon
Hij zat in een zilveren kooi
Hij zei: “Ziezo” en hij zei: “Pardon”
En: “Erretesoep” en “Nachtjapon”
Wat praatte die kraai toch mooi
Wat praatte die kraai toch mooi



Hij trok met zijn baas door de ganse stad
Die baas was een man met een baard
De kraai zei: “Fiets” en hij zei: “Dag schat”
De mensen riepen: “Wat énig is dat
Die kraai is een dubbeltje waard
Die kraai is een dubbeltje waard”



Dat hoorde de Graaf van Hoitierelier
Hij was een nieuwsgierig man
Hij sprak: “Parbleu, een keuvelend dier
Ik wens deze kraai ogenblikkelijk hier
Ik wil wel eens zien wat hij kan
Ik wil wel eens zien wat hij kan”



Daar kwam dus de kraai met kooi en al
“Zie zo”, zei de graaf, “Ahahaha
Wat mij betreft, steek nu maar van wal
Ik ben zo benieuwd, wat ie zeggen zal”
Maar de kraai zei geen boe en gaan ba
De kraai zei geen boe en geen ba



Hij keek naar de graaf op z’n dooie gemak
Hij keek al het moois ervan af
Toen deed hij zijn snavel open en sprak
Alleen maar de woorden: “Kale kak”
En toen zweeg hij weer als het graf
En toen zweeg hij weer als het graf



Dat was niet zo mooi, dat was niet zo mooi
Voor de baas, de man met de baard
Hij wachtte maar niet op zijn dubbeltje fooi
Hij vluchtte maar gauw met de kraai in z’n kooi
En de graaf was totaal van de kaart
De graaf was totaal van de kaart









<<   Vorige nummer                     Kinderliedjes                     Volgende nummer   >>




Naar boven                       Home